Max en Milou bij opa Stek

Max en Milou bij opa Stek

Papa en mama en Max en Milou rijden in de auto naar het verpleeghuis waar opa Stek woont. Het is ongeveer een half uurtje rijden. Opeens voelt mama in haar jaszakken en kijkt in haar tas. “Ik ben mijn mondkapje vergeten" zegt ze verschrikt. Papa wijst naar het kastje voor in de auto. “Daar ligt nog een pakje" zegt hij. Mama doet het kastje open en trekt een nieuw mondkapje uit het pakje. Max en Milou zijn nu wel aan de mondkapjes gewend geraakt. Al vinden ze het nog altijd een raar gezicht. Het is nu al een paar weken zo dat grote mensen in winkels en de bus en de trein een mondkapje op moeten. Dat moet ook in het verpleeghuis.
Voor opa Stek is het wel lastig. Hij begrijpt niet waarom papa en mama een mondkapje op hebben. “Doe af!” zegt hij dan. Papa en mama leggen dan aan opa uit waarom dat moet. Omdat er een virus is die mensen ziek maakt. Maar omdat opa oud en vergeetachtig is kan hij het niet begrijpen.
De meester op school had ook aan de kinderen uitgelegd wat een virus is. Het is een heel klein beestje. Zo klein dat je het niet met je gewone ogen kan zien. Wel met een microscoop. Dat is een soort vergrootglas dat hele kleine dingen heel groot kan laten zien. En omdat gewone mensen het niet kunnen zien kan het zomaar van de ene naar de andere mens overspringen. En als je dat virus hebt kun je klachten krijgen. Je kan gaan hoesten en verkouden worden. Oudere mensen kunnen ook hoge koorts krijgen en in het ziekenhuis komen. En ze kunnen er zelfs aan sterven. Ook omdat ze vaak al ziek zijn of oud.
Max en Milou begrijpen nu wel dat het heel belangrijk is dat ze niet te dicht bij opa komen. Want als zij het virus hebben kan het ook op opa komen. Kinderen worden er meestal niet erg ziek van. En soms zelfs helemaal niet. Maar oude mensen dus wel.

Als ze bij het verpleeghuis komen vraagt Max of hij de cijfers naast het kastje op de deur in mag tikken. Dan gaat daarna de deur open. Dat moet omdat opa op een gesloten afdeling zit. Dat betekent dat de mensen die daar wonen vaak zullen verdwalen als ze zomaar de deur uitgaan. Omdat ze door hun vergeetachtigheid de weg niet meer weten. Als de deur zoemt duwt papa hem open. Als ze binnenkomen duwt Milou haar sjaal tegen haar neus. Bah, wat ruikt het toch altijd raar in het verpleeghuis. Maar ze zal er toch aan moeten wennen. Want ze wil later ook zuster worden. Maar misschien gaat ze liever in het ziekenhuis werken. Of zal het daar ook zo raar ruiken? Maar ja, het duurt nog even. Ze moet eerst nog heel lang naar school.
Opa zit op zijn kamer. Hij lacht blij als hij hen ziet. Hij wijst naar de mondkapjes. “Doe af!” zegt hij. Mama schudt haar hoofd en legt nog een keer aan opa uit waarom dat niet kan.gezin met mondmasker Milou kijkt het kamertje rond. Er staat een bed en een nachtkastje. En een klein tafeltje aan de zijkant. Op het nachtkastje ligt een bijbeltje. Opa kan vast niet meer lezen uit zijn bijbeltje denkt Milou. Zou de zuster dan ’s avonds een stukje lezen als opa in bed gaat? Als zij later zuster is zal ze dat zeker doen als de mensen dat zelf niet meer kunnen. Er staat verder niet veel in opa’s kamer. Opa zit in een rolstoel dus hij moet de ruimte hebben om met de rolstoel te rijden. Overdag zit opa in de huiskamer. Daar zitten meer mensen. Dan heeft opa nog wat gezelligheid. Milou ziet een plantje in de vensterbank staan. Het is een plastic plantje. Ze stoot Max aan en wijst naar het plantje. “Weet je nog Max?” vraagt ze zacht. Max knikt. Hij begrijpt meteen wat zijn zusje bedoelt. Toen opa in het verpleeghuis kwam kon hij nog lopen. Op een dag toen de zuster even weg was had opa alle plantjes uit de raamkozijnen gehaald en ze op de grote tafel bij elkaar gezet. Hij had alle plantjes uit het potje gehaald en ze lagen op een grote hoop op de tafel. Overal lag zwarte grond. Opa had hele vieze handen. Toen ging hij alle plantjes weer in de potjes zetten. De zuster die binnenkwam schrok zich een hoedje. Maar ze was niet boos geweest op opa. Ze wist wel dat opa er niets aan kon doen. Opa had altijd met plantjes gewerkt. Ze had alles weer netjes opgeruimd maar toen opa de volgende dag weer alle plantjes op de tafel had gezet werden ze weggehaald. En de volgende dag stonden er plantjes van plastic. Die maakten tenminste geen rommel. Maar opa zat er ook niet meer aan. Hij hield niet van plastic plantjes.
Na een halfuurtje staan ze weer op. Opa wil de tweeling een knuffel geven. Hij steekt allebei zijn handen uit naar de tweeling. Max en Milou schudden hun hoofd. “Het mag niet opa" zegt Milou. “ Als het virus weer weg is gaat de tweeling u extra lang knuffelen opa" belooft papa. “Virus, virus" mompelt opa. En hij kijkt verdrietig. Max en Milou zwaaien bij de deur. Opa steekt zijn hand omhoog. In de gang zucht Milou verdrietig. “Ik vind het zo zielig voor opa" zegt ze. “Dat is het ook” zegt mama. “Maar als opa ziek wordt is het nog veel erger." “We zullen bidden of de Heere voor opa wil zorgen" zegt papa. De tweeling knikt. Dat zullen ze zeker doen.
Milou mag de cijfers intikken. De deur zoemt en ze staan weer buiten. Milou ademt diep in. Hè lekkere frisse lucht denkt ze. Ik ben nog geen goede zuster. Maar het is wel fijn om voor mensen te zorgen. Daar moet ze dan maar wat voor over hebben. Ze stappen weer in de auto op weg naar huis. Straks nog even lekker buiten spelen. Misschien komt Tom ook nog wel. Milou krijgt er rode wangen van. Als Max maar niet te weten komt dat ze Tom zo leuk vindt.

Volgende keer Tom de buurjongen.